De werking van een sensor kan het beste vergeleken worden de techniek die we kennen van zonnecellen. De sensor in onze camera’s bestaat uit miljoenen elementen (zoals fotodiode’s), die licht omzetten in een elektrische spanning. Des te meer licht er op een element valt, des te hoger de elektrische spanning. Een sensor is dus 100% analoog, net zo analoog als de Kodak film waarmee we voorheen fotografeerden. Plaats heel veel elementen bij elkaar en je hebt voldoende beeldpunten om een foto te produceren. Bij de eerste digitale camera’s was 1 megapixel (1 miljoen pixels) al heel wat, nu is 10 megapixels of meer standaard.
CCD versus CMOS
Er zijn twee veel gebruikte technieken: CCD (Charge-Coupled Device) en CMOS (Complementary Metal Oxide Semiconductor). Tot voor kort was CCD de meest toegepaste techniek, omdat hiermee de beste resultaten bereikt werden. CMOS echter was een aantrekkelijke techniek, omdat deze sneller werkte (beter geschikt voor Live Feed, Live View), minder energie gebruikte en goedkoper te produceren was. Dat CMOS zo lang op zich heeft laten wachten lag vooral aan het feit dat ruis en dynamisch bereik veruit inferieur waren aan de CCD. Inmiddels zijn de verschillen klein, als ze überhaupt nog bestaan. De laatste generatie camera’s werkt met CMOS sensors.
Voor de rest van deze tutorial beperken we ons tot de CCD, omdat het voor de begripvorming niets uitmaakt.
AA filter
Licht valt in via de lens en convergeert op het AA (Anti Alias) filter. Het AA filter filtert UV en IR weg, en dempt tevens moiré effecten. Verder bestaat het filter uit serie lensjes, die het licht verder convergeren richting het CFA (Color Filter Array).
AA filters kunnen zowel ‘zwak’ als ’sterk’ zijn. Zwakke filters leveren sneller moiré op, maar leveren haarscherpe beelden. Sterke filters laten van moiré niets over, maar leveren zachte beelden op, die van bijna elk detail ontdaan zijn. Er zijn fabrikanten, waaronder Leica, die het AA filter helemaal geen moiré laten filteren en de nadelen ervan voor lief nemen (meer werk in post processing).
Color Filter Array
Tot op dit punt werd al het zichtbare licht (minus UV en IR) doorgelaten. Het CFA bestaat uit drie kleurfilters (RGB), die ieder slechts één kleur licht doorlaten. Het gefilterde licht valt vervolgens op de fotogevoelige cellen. Door de filtering van de drie basiskleuren op een bepaalde manier te organiseren (rij bij rij, pixel bij pixel) en deze later op een juiste manier uit te lezen, ‘weet’ de camera welke kleuren er in de foto voorkomen en hoe deze gemengd moeten worden. Drie fotogevoelige cellen vormen later één pixel.
Gevoeligheid (ISO)
In tegenstelling tot film kan een sensor niet ‘gevoeliger’ gemaakt worden dan deze al is. Om toch het effect van een gevoelige film te emuleren, worden de opgewekte elektrische spanningen versterkt. Anders gezegd: de ‘volumeknop’ wordt een stukje verder opengedraaid. Omdat je, net als bij een HiFi versterker, ook achtergrondstoringen versterkt, ontstaat er ‘ruis’. Hoe ver je kunt gaan in het opkrikken van de ‘gevoeligheid’ hangt af ondere af van de relatie tussen de grootte van de sensor en het aantal pixels. Een grote sensor met relatief weinig megapixels (= grote foto-gevoelige elementen!) kan tot ver over ISO 3200 bruikbare beelden opleveren. Een kleine sensor met heel veel megapixels zal alleen bij lage ISO waarden acceptabele beelden opleveren.
A/D converter
Na al deze handelingen kan de informatie gedigitaliseerd worden. Hiervoor dient een A/D (analoog -> digitaal) converter, die analoge spanningen omzet in een digitale representatie (nullen en enen). Een A/D converter neemt een sample (monster) van het analoge signaal en zet dit om in een binair getal.
Nu is de foto pas digitaal en kan bewerkt worden, hetzij op de computer met een RAW converter, hetzij via de beeldprocessor van de camera.

